Contact

Runderen

De Schaapskooi zet runderen in bij de begrazing in het natuurgebied. De runderrassen behoren tot de soms nog zeldzame oude inheemse veerassen. Door deze rassen in te zetten bij de natuurbegrazing dragen we bij aan de instandhouding ervan. De Schaapskooi fungeert als intermediair voor de landelijke Stichting Zeldzame Huisdierrassen en heeft in 2013 van deze Stichting een erkenning gekregen als educatief centrum die voldoet aan de richtlijnen van de landelijke Stichting Zeldzame Huisdierrassen.

Op dit moment zet de Schaapskooi 3 verschillende runderrassen in bij de extensieve begrazing in het Wijboschbroek en de Smaldonk, te weten de Lakenvelder, het Brandrode rund en de Blaarkop.

Lakenvelder
Het Lakenvelderrund heeft een witte band tussen schouder en heup en een volledig zwarte of rode voor- en achterhand. Er mogen geen witte aftekeningen voorkomen aan kop en ledematen. De Lakenvelder is een fijn gebouwd klein rund. De tong is paars gepigmenteerd. Ze hebben een mooie kop met horens. Ze worden vooral gehouden als zoogkoeien en voor de vleesproductie. Vanwege hun uitstraling graasden ze vaak op grote landgoederen en deden dienst als ‘sier – of parkkoe’.
Met veel kunst en vliegwerk is dit ras van de ondergang gered. Evenalsvoor de andere rassen bleek de verordening van 1950 dat alleen stieren van erkende rassen ingezet mochten worden bijna funest. Boerenongehoorzaamheid en de inzet van hobbyisten was nodig voor het behoud van dit mooie ras.

Brandrode
Brandrode runderen zijn egaal diep donkerrood of bruinrood van kleur met witte aftekeningen: een witte kol, een witte buik, witte staartpunt en witte sokken. Op sommige plaatsen van het lichaam, met name aan de kop en de poten neigt de kleur meer naar zwartachtig rood. Vanwege deze geblakerde kleur is de naam ‘brandrood’ ontstaan.
Brandrode runderen zijn middelgroot. Het zijn rustige en vriendelijke dieren voor elkaar en voor de mensen. Ze zijn goed bestand tegen voederovergangen en wisselende weersomstandigheden. Het Brandrode Rund is sterk en sober, kan zich goed aanpassen en blijkt redelijk winterhard. Daardoor kunnen ze bijna het hele jaar door buiten verblijven. De dieren zijn vruchtbaar, kalven gemakkelijk en bezitten goede moedereigenschappen.
Het Brandrode Rund wordt nu als een apart ras onderscheiden. Door hun robuustheid en weerstand tegen ziekten hebben Brandrode Runderen een lange levensduur, wat hen ook met name geschikt maakt voor natuurbegrazing. Inmiddels hebben de Brandrode Runderen een eigen stamboek en dankzij de inspanningen in de laatste jaren is dit mooie, voor Noord-Brabant kenmerkend rund op de weg terug.

Blaarkop

De blaarkop is een middelgroot ras. De hoogtemaat van een volwassen koe is ca. 135 cm (een variatie van 130 tot 145 is normaal). Kleinere koeien komen af en toe voor. De grootste raszuivere Blaarkoppen zijn overwegend laat rijp; ze groeien lang door, en zijn slow-starters qua melkproductie.
Het lichaamsgewicht van een volwassen koe is ongeveer 600 kg levend gewicht. Volwassen stieren kunnen zeer zwaar worden (meer dan 1000 kg is geen uitzondering). Blaarkoppen zijn goed bespierd en hebben lichte botten. De Blaarkop is een ‘dubbeldoelkoe’; zowel geschikt voor een goede melkproductie als voor goed vlees. Blaarkoppen hebben een goed aanpassingsvermogen. Bij wisselende omstandigheden houden ze zich goed staande. Ze zijn goed geschikt als zoogkoe en natuurbeheerder. Ze vreten zelfs Berenklauw en ander ‘ruw’voer. Ze kunnen met gemak meer dan één kalf grootbrengen en zijn niet inkennig naar andere kalveren dan hun eigen. Blaarkoppen hebben een rustig karakter en zijn goed benaderbaar en aanhankelijk. Soms kunnen ze wat eigenzinnig en stug zijn, maar zelden nerveus.De blaarkop heeft een mooie sprekende vierkante kop; geen lange kromme neus of smalle kop. De horens zijn overwegend niet erg groot en mooi gekromd (druiphoorn), soms komen zeer kleine horens voor, soms slappe horens. Ook komen wat wijduitstaande horens voor.
De blaarkop heeft fijner haar dan veel andere rassen. Dit fijnere haar zorgt voor een dichtere vacht, soms zelfs wollig. Dit maakt dat ze kouder weer goed kunnen doorstaan. De haarkleur van een zwarte blaarkop is vaak iets bruinig getint. Dit heeft niets met een eventuele roodfactor te maken. Een blaarkop die meer blauwzwart is heeft nog wel eens wat ‘bont’ bloed in het voorgeslacht. Bij de rode blaarkoppen komen verschillende kleurvarianten voor van vaalrood tot donker roodbruin. ‘Appeltjes bont’ of ‘tijgerbont’ komt ook voor. Roodblaren hebben soms ‘sproeten’ in het wit op de kop. Ook komt bij roodblaar iets meer ‘kleuronvastheid’ voor in de vorm van hoge witten benen, veel wit aan de buik en witte haren in de nek. Ook dit hoeft niets met ras onzuiverheid te maken te hebben.De blaarkop heeft blaren om de ogen; groot en/of klein mag evenals los en/of vast. Een bles is niet gewenst. De kruin mag wit zijn maar bij voorkeur zwart; soms iets aflopend naar één kant (scheve muts). Aan de poten voor en achter sokjes is mooi, maar dikwijls is er weinig wit bij de klauwen aan de voorpoten. Achter zijn er vaker duidelijk sokjes, vaak niet aan beide benen gelijkmatig. Hoge witte benen tot de hak zijn minder gewenst. Dat duidt vaak (niet altijd) op ‘bont’ bloed in het voorgeslacht.

(bron www.blaarkopnet.nl )

bron: www.szh.nl

 

 

 

 

 

 

 

Twee Lakenvelders