Contact

Schapen

Onze kudde bestaat uit Kempische heideschapen. De andere rassen die naast enkele Kempische heideschapen nog in kleine koppels meelopen in de kudde zijn het Veluws heideschaap, Drents heideschaap, de Schoonebeeker, het Mergellandschaap en de Zwartbles.

De laatste jaren is de kudde betrokken bij het beheer van het natuurgebieden Wijboschbroek en Smaldonk. Daarin liggen percelen van Staatsbosbeheer en de bermen en dreven van de gemeente Schijndel. Aan de begrazingsactiviteiten koppelen we graag toeristische/recreatieve en educatieve aspecten.

Historie kudde
Namen als Schijndelse-, Rooise- en Molenheide verwijzen nog naar de al lang geleden ontgonnen heidevelden op de hoger gelegen zandgronden buiten het dorp. De iedere dag van de heidevelden terugkerende kudde produceerde mest in de stal. Vermengd met heideplaggen ging deze op het land voor de akkerbouw. Dit potstalsysteem verloor met de introductie van de kunstmest begin 20e eeuw alle betekenis voor de landbouw. Dat het snel afgelopen was met de kuddes tonen de cijfers aan. In nauwelijks honderd jaar liepen de inheemse kuddes per regio terug van honderdduizend tot soms nauwelijks duizend.

Schijndel heeft nooit grote schaapskuddes gekend. Daarvoor waren de heidevelden te klein. Voor een kudde van 100 schapen had je per jaar al gauw zo’n 1 ha heideplaggen nodig en dan te bedenken dat de heide 10 jaar herstel nodig heeft voordat er weer plaggen gestoken kunnen worden (uit: A. Fokkinga, een land vol vee, 1995).

Rond 1700 waren er nog 11 kuddes in Schijndel en in 1904 telde men nog maar 490 schapen in heel Schijndel. De laatste rondtrekkende kuddes waren van ‘Van de Sangen’ uit het Wijboschbroek. In 1985 kwam hier een einde aan. De scheper Cor Siegenthaler bouwde vanaf 1990 aan een nieuwe kudde van Zwartbles schapen en liep in overleg met Staatsbosbeheer in bepaalde delen van het natuurgebied. Bij het werk zijn meerdere (hulp)herders betrokken.

ONZE SCHAPENRASSEN

Drents heideschaap
Het kleine Drentse heideschaap is het enige gehoornde Nederlandse schapenras. Het is een sober levend schaap, bij uitstek geschikt om het schrale voedselaanbod op de heide om te zetten in mest. Een onmisbare eigenschap in de tijd dat er nog geen kunstmest was.
De rammen hebben indrukwekkende spiraalvormige horens. De ooien hebben niet altijd horens, soms zijn het stikken en zelfs ongehoornd komt voor. Er zijn talrijke kleurslagen die door een zorgvuldige selectie en fokbeleid zoveel mogelijk in stand worden gehouden. De meeste schapen zijn van het type “vos”kleur. Fraai zijn de badgerface(dassenkop), kassenbreuker en de smodde. Een gemengd koppel is een lust voor het oog. De badgerface heeft nog iets weg van de Moeflon.
Door kruising met de Schoonebeeker dreigde het oorspronkelijke type Drentse heideschaap naar de achtergrond te verdwijnen.
Het oude Drentse type, amper 60 cm groot heeft een kenmerkend rechte profiellijn van de neus. Ze hebben ranke, sterke poten, mooie vacht, sluik en een bewolde staart die reikt tot net over de hak. Omdat hier het voedselaanbod beter is dan op de heide is het aantal lammeren per worp eerder 2 dan 1. Het Drents heideschaap is evenals het Kempisch heideschaap een erkend streekproduct en opgenomen in de Ark van de Smaak.

Veluws heideschaap
Een wandeling over de Veluwe levert meestal een ontmoeting op met een van de 9 kuddes die bestaan uit Veluwse heideschapen. Een schaap dat erg veel weg heeft van een Kempisch heideschaap. Fors gebouwd, een glanzende, witte gebogen kop, witte draderige vacht en een lange bewolde staart. De witte koppen geven de kudde in de paarse heide een sereen beeld. Dat deze schapen zo groot konden worden heeft alles te maken met het afmesten van de lammeren op de graslanden in de Betuwe. Als ze niet verkocht werden op de grote vleesmarkten in Londen of Parijs kwamen de jaarlingen in de kudde terecht ter vervanging of als aanvulling. Een ooi geeft meestal 1 lam. Bij ons hebben we eerder tweelingen. Een kwestie van voeding. Het Veluws heideschaap is een rustig schaap dat snel aan mensen hecht. Een opvallend verschil met de andere rassen.
Het inzetten van deze schapen bij de bestrijding van de vergrassing van de Nederlandse heide voorkwam de ondergang van dit ras. De kuddes werken zo samen dat via de uitruil van rammen inteelt wordt voorkomen.

Schoonebeeker
Dit schaap valt meteen op temidden van de andere rassen. Als grootste heideschaap torent dit schaap boven alle andere rassen uit. De statige houding, de lange benen en romp, de imposante Romeinse neus, de talrijke vaak bonte kleurschakeringen geven dit schaap allure. De lammetjes laten de kleurpatronen het mooiste zien. Van bont, smodde, lichtvos tot zwart en bles. Deze blestekening zien we terug bij de Zwartbles, die voortkomt uit de Schoonebeeker. De volwassen dieren laten de kleuren alleen nog maar zien bij de onbewolde poten en in de kop. De vacht is wit, behalve bij de zwarte en zwartbonte. Misschien nog wel het mooiste detail is de lange, sterk bewolde staart die met een knikje op het eind bijna de grond raakt.
Van alle rassen heeft dit type het meeste te lijden gehad van gebrek aan belangstelling. Het is kantje boord geweest, zo klein was de populatie. Ze volgden de Drentse heideschapen op vanaf het moment dat de kunstmest werd toegepast. Als je dan schapen houdt heb je meer aan dieren die sterker bespierd zijn. De afkomst van dit ras wijst in ieder geval in de richting van de Duitse Bentheimer.

Kempisch heideschaap
Net als bij de andere heiderassen was het midden jaren zestig eigenlijk over en uit met dit ras. Zoals ze bij runderen over dubbeldoel koeien spreken zou je het Kempische ras kunnen omschrijven als een dubbeldoel schaap. Niet alleen voor de mest op de arme zandgronden van de Kempen was dit schaap een onmisbare schakel, maar ook de vleeskwaliteit werd in vroeger tijden alom gewaardeerd. De nadruk lag evenwel op het eerste, maar met het vetweiden in het Maasdal kon een goede lammerenopbrengst worden gerealiseerd voor markten tot in Londen en Parijs. De vleeskwaliteit heeft gelukkig weer erkenning gekregen van de Slow food organisatie. Het ras is met ingang van 2007 opgenomen in de Ark van de Smaak.
Als je het schaap ziet, dan valt het op. Een zelfbewuste uitstraling zou je haast denken. Het is minder fors dan de Veluwse heideschapen. Heeft een ranke, witte tot voskleurige, soms een beetje vlekkerige kop. De ooien werpen 1 tot 2 lammeren. De buik heeft geen wol, de staart is bewold en reikt tot iets over de hak. De volwassen ooien wegen zo’n 50 tot 60 kilo.
De oprichting van de stichting het Kempisch heideschaap in 1967 heeft het ras gered en met de eerste grote kudde op de Strabrechtse heide is de weg naar boven ingeslagen. De inspanningen van de mensen van het eerste uur zijn beloond. We zien op dit moment een gezonde ontwikkeling mede dankzij het opgerichte stamboek in 1997. Er zijn nu talrijke begrazingsprojecten met dit daarvoor zeer geschikte ras.

Mergellandschaap
Het Mergellandschaap staat het verst af van de andere heideschapen. Het verschilt in exterieur weinig met een Kempisch heideschaap. Toch is het Mergellandschaap meer een weideschaap, bij uitstek geschikt om de steile hellingen in Zuid-Limburg te begrazen. Kemmerkend zijn de wigvormige, “sproetige” kop. Ze hebben een lange smalle romp, de poten zijn ook sproetig. Het mooiste is de vacht met lange, golvende wol met een typerende scheiding over de rug. Ze staan wat korter op hun poten en zijn daardoor beter in staat te klimmen.
Binnen dit ras komen ook zwarte of voskleurige dieren voor. De ooien leveren 1- 2 lammeren.
Het behoud van dit ras is ook een dubbeltje op zijn kant geweest. Dankzij bioloog Henk Hillegers en andere liefhebbers is door terugkruisen met veel geduld weer een koppel opgebouwd dat als basis kon dienen voor de fokkerij. De vereniging ‘Oos Mergelland Sjaop’ zet zich vanaf 1979 in voor dit fraaie ras.
De oorsprong van dit ras is moeilijk terug te vinden. Het is een mengelmoes van invloeden van andere rassen. De Mergellandschapen lopen in enkele grote kuddes op de St. Pietersberg, in het Gerendal en voeren daar specifieke begrazingsplannen uit.

Zwartbles
De Zwartbles kenmerkt zich door zijn bruinzwarte kleur en zijn typische witte bles op de kop. Dit schaap is hoornloos. De bles verbreedt zich naar de kruin en de bek. Soms is de onderkaak wit en soms loopt het wit uit tot in de hals als een witte bef. Verder heeft dit schaap witte (achter)voeten en een witte staartpunt.  De oren staan horizontaal. Het is een goed ontwikkeld, wat gerekt en ruim gebouwd schaap met opgeheven hals en houding. De staart loopt door tot de hak en is meestal bewold.

Voor de korte beschriijving van de rassen is dankbaar gebruik gemaakt van de Stichting SZH en de fokverenigingen. Voor gedetailleerde informatie over de schapenrassen zie www.szh.nl